NEMO Omslag single.png

Founding NEMO

De geschiedenis van het Nederlandse wetenschapsmuseum en zijn
voorgangers 1923 - 2013

Opdrachtgever - Universiteit Twente


Promotieonderzoek van Judith Gussenhoven over de geschiedenis van science museum NEMO in Amsterdam. Het museum gaf toegang tot al zijn archieven en maakte het mogelijk als buitenpromovendus diepgaand onderzoek te doen naar het bewogen verhaal van het instituut in het iconische gebouw van Renzo Piano. Dat, voor veel mensen onverwacht, een lange geschiedenis bleek te hebben van maar liefst 90 jaar. De wetenschappelijke begeleiding was in handen van promotor en designhistoricus prof. dr. JW Drukker.

Boekvormgeving Rob Westendorp

 
 

Fragment uit het boek


 

Het duo dat het grootste deel van de tijd aan het roer stond van het NINT en dus verantwoordelijk mag worden genoemd voor het succes in de jaren vijftig en zestig bestond, zoals gezegd, uit Heldoorn en Duyvis. Hoewel ze op persoonlijk vlak enorm verschilden en ook regelmatig botsten (weliswaar in keurige bewoordingen gevat, spatte de onderlinge irritatie soms van de correspondentie af) bleek hun combinatie zeer effectief. De eigenzinnige Duyvis, ondernemer en industrieel bij uitstek – rijk geworden met zijn eigen Draka-fabrieken – besteedde met veel toewijding zijn dagen aan ettelijke commissariaten en zette voor zijn voorzitterschap van het NINT-bestuur niet alleen zichzelf en zijn uitgebreide netwerk van industriële vrienden met plezier in, maar ook nog eens een deel van zijn eigen vermogen. En de 26 jaar jongere Heldoorn, veel meer op de inhoud gericht – na het gymnasium en een studie wiskunde, was hij eerder werktuigbouwkundige bij Werkspoor en scheepswerf De Schelde geweest – was de energieke en bijzonder toegewijde directeur van het instituut. Waar Heldoorn zonder problemen de portier van het NINT een week verving als deze op vakantie ging, liet Duyvis zich voorstaan op het feit dat het NINT bestuur zijn bestuur was: in geldingsdrang verschilden de heren sterk. Desondanks deelden ze eenzelfde basisvisie op het instituut en waren beiden doordrongen van de noodzaak van vooruitkijken, modern zijn, geen geschiedenis tonen en de industrie ter wille zijn.

 

“Het is niet alleen een degelijk boek geworden, maar vooral ook een prettig en een speels boek. Zelfs wie in lezen geen zin heeft, vermaakt zich ermee, al was het maar door haar ingelaste onderbrekingen: virtuele bezoekjes aan het Museum van den Arbeid, in 1939, en aan de opvolger daarvan.”
— Paul Arnoldussen, het Parool 17 december 2013